Aristoteles

Metaphysica, boek XII (^)

… verandert de invalshoek in boek ^ vanaf hoofdstuk 6; hier gaat Aristoteles opeens vragen, niet zozeer naar het zijn-in-het-algemeen, als wel naar het zijn-bij-uitstek, het zijn krachtens hetwelk alle zijnden er zijn, het hoogste of meer volmaakte zijn: God. De toon wordt theologisch. Aristoteles ontwikkelt hier een godsbeeld (God als onbewogen beweger, als samenhoudende spil van het universum, als zuivere actualiteit zonder enigerlei potentialiteit – God is geheel ‘af’) Hij wordt niet -, als pure geestelijkheid, als zuiver denken enz., dat het Christendom sterk beïnvloed heeft. En niet alleen het Christendom, maar ook de Islam (Avicenna, Averroës), en misschien zelfs het Jodendom (Maimonides). De theologie als theo-logie – als systematische en consequente geloofs-doordenking – is voor een belangrijk deel een aristotelisch effect; denk aan de middeleeuwse scholastiek, die rede en geloof probeerde te verbinden. Ook kunnen we ons afvragen in hoeverre niet ons eigen (‘theologische’) denken, onbewust, eveneens sterk aristotelisch is. Men zou kunnen volhouden dat in boek ^ de platoons-theologische aap uit Aristoteles’ mouw komt, en dat hij terugkeert tot een soort participatie-denken dat inherent leek aan Plato’s idee van het Goede (‘al wat is bestaat krachtens het Goede, als de ‘transcendentale’ mogelijkheidsvoorwaarde van alles’).

Stukje uit: Bachelors-cursus Metafysica/Hermeneutiek Faculteit Godgeleerdheid Universiteit Leiden Docent: Dr. H.W. Sneller- H.W.Sneller@let.leidenuniv.nl

< Terug naar artikelen

>Aristoteles